Veteranen verhalen
uit de NW-Veluwe
Welkom Veteranen op alfabetische volgorde Afghanistan Bosnië Indonesië Korea Kroatië Libanon Macedonië Nieuw-Guinea Oekraïne

Klik op een foto voor een uitvergroting

▲▲▲▲

Welkom Veteranen op alfabetische volgorde Afghanistan Bosnië Indonesië Korea Kroatië Libanon Macedonië Nieuw-Guinea Oekraïne
BERT LENSINK (1930)

Toen Nederland haar eerste buitenlandse missie sinds 1962 mocht voorbereiden, ging de eer hiervoor naar het 44ste Infanterie Bataljon, onderdeel van het Johan Willem Friso Regiment. Dit bataljon bestond grotendeels uit dienstplichtigen, waaronder ook dienstplichtig kader. Het was de tijd van de democratisering, de vrije haardracht en het afschaffen van de militaire groetplicht.

In januari 1979 viel de beslissing een Nederlandse eenheid te sturen en op 10 maart vertrokken de troepen. In de tussentijd ontstond een hectische situatie om de eenheid op tijd op sterkte en gevechtsklaar te krijgen. Hoewel het 44ste Bataljon het ‘Verenigde Naties’ Bataljon werd genoemd, was in de voorafgaande jaren flink beknibbeld op de kosten. Dit was ten koste gegaan van de voorlichting, opleiding en training van de dienstplichtigen, zodat men nauwelijks op zijn taak was voorbereid. Ook de verkorting van de diensttijd ging ten koste van de VN-opleiding. De eerste commandant van dit bataljon werd overste E.H. Lensink, sinds 1950 in het leger werkzaam. Hij was als dienstplichtige militair opgekomen en na één jaar overgestapt naar de Koninklijke Militaire Academie in Breda om beroepsmilitair te worden. Lensink werd eindverantwoordelijk voor de inzet en veiligheid van het bataljon. Bij de voorbereiding en eerste screening van de eenheid vielen ongeveer 100 manschappen af, die om medische– of sociale redenen niet mee konden. Het bataljon werd aangevuld met een extra verzorgingscompagnie. De personele sterkte werd opgevoerd van 600 naar 800 personen. Het materieel, waaronder pantservoertuigen, wapens en munitie ging in containers aan boord van een schip.

Op 15 maart werd het Franse bataljon afgelost in het roerige grensgebied van Zuid Libanon. Hier waren al VN-bataljons gelegerd, onder meer uit Ierland, Nepal, de Fuji Eilanden, Senegal en vanaf maart 1979 ook van Nederland. De bataljons hadden tot taak om het Libanese gezag te herstellen en rust te brengen. Het Nederlandse bataljon vormde een buffer tussen de Palestijnen enerzijds en de Israëlische eenheden en de Christelijke milities van Majoor Hadad anderzijds. De inzet van troepen was gebonden aan strenge voorwaarden en vandaar dat de missie ook wel spottend ‘Mission Impossible’ werd genoemd, bij voorbaat gedoemd tot mislukken. ‘De sfeer was in eerste instantie vriendelijk,’ zegt Lensink, ‘zowel majoor Hadad als de Palestijnen probeerden ons te paaien en ons aan hun kant te krijgen, maar toen de eerste dagen door een patrouille een demarcatielijn werd overschreden, werd zonder waarschuwing geschoten. Zo vriendelijk was het ook weer niet’. Nederlandse troepen bleven tot 1983 in Libanon. Overste Lensink werd op 20 november 1979 als commandant afgelost.

‘Onze taak bestond eruit de vrede en veiligheid in het gebied te handhaven en infiltraties door Palestijnen te voorkomen. De eerste tijd moesten we flink improviseren vooral omdat de voorraden niet waren gearriveerd en de legering niet in orde was. Werkweken van 80 uur waren heel gewoon en omdat er in het begin een tekort aan infanteristen was moesten ook de chauffeurs en schrijvers patrouille lopen in het bergachtige gebied. Er werd keihard gewerkt om de boel op orde te krijgen, wat uiteindelijk is gelukt. Al op 4 mei 1979 viel een eerste slachtoffer. Een geweer dat niet was vergrendeld, ging af en een soldaat werd dodelijk getroffen, het was ernst. Behalve commandant en militair moest Lensink vooral diplomaat zijn. Het was altijd belangrijk tussen de verschillende belangen door te zeilen. Van de Palestijnen die probeerden te infiltreren door het gebeid van Dutchbat werden de wapens in beslag genomen. Zelf werden ze teruggebracht naar Tyrus, hun hoofdkwartier. Het kon heel goed zijn dat we ze de volgende dag weer moesten aanhouden met dezelfde wapens.

Ook Israël en de milities van Hadad hadden hun belangen en als ze hun zin niet kregen werden bepaalde routes gewoon afgesloten. De VN-eenheden werden dan als het ware gegijzeld of zo geïntimideerd dat ze hun werk niet konden doen. Incidenten konden uitlopen op een ramp. Een auto ongeluk waarbij een Palestijns jongetje om het leven kwam, moest worden afgekocht omdat de Palestijnen anders wraak zouden nemen. Een vonkje kon een vuurtje worden, een vuurtje een explosie. De inzet van het VN bataljon was dan ook de problemen zoveel mogelijk in de kiem te smoren en vooral zelf geen aanleiding te geven voor conflicten.

De Nederlandse dienstplichtigen deden het overigens helemaal niet slecht. Het Nederlandse bataljon werd vaak te hulp geroepen omdat Nederland over zwaar materieel, zoals pantserwagens beschikte. Waren er in een ander gebied problemen, dan vroeg men de hulp van de Hollanders. Wel bleek soms de zwakte van het dienstplichtig kader. In een periode waarin men ruim een half jaar op een post zat, kregen natuurlijke leiders de kans zich te ontwikkelen ten opzichte van degenen die daarvoor formeel waren aangesteld. Ongevaarlijk was de missie niet, er vielen in de tijd dat Lensink in Libanon was drie dodelijke slachtoffers. Is het achteraf een zinvolle missie geweest of was het inderdaad een ‘mission impossible?’‘Gezien de onrust die er nog steeds is, zou je zeggen dat het geen zin heeft gehad, maar toen wij er destijds kwamen, was het hele zuiden van Libanon leeg. De bevolking was gevlucht en de milities en strijders hadden er de overhand. Na de missie van de VN kreeg de bevolking vertrouwen in het optreden van Dutchbat. De gevluchte bevolking keerde terug en de schaarse akkers werden weer bewerkt. Ook is er een aantal humanitaire projecten opgezet. Internationaal misschien van weinig waarde, maar voor de mensen die het betrof niet onbelangrijk.

Toch was er een hoog ‘frustratiegehalte’ vanwege de beperkingen die ons waren opgelegd. Je moest veel en mocht weinig en je was aan allerlei voorwaarden gebonden. Er zijn aan Nederlandse kant gewonden gevallen en die moeten daar mee verder leven. Tenslotte was het voor het Nederlandse leger, dat sinds 1962 alleen maar had geoefend, een belangrijke toets. We hebben ons er, onder moeilijke omstandigheden, goed doorheen geslagen. Unifil in Zuid-Libanon was de voorloper van talrijke internationale operaties’.