Veteranen verhalen
uit de NW-Veluwe
Welkom Veteranen op alfabetische volgorde Afghanistan Bosnië Indonesië Korea Kroatië Libanon Macedonië Nieuw-Guinea Oekraïne

Klik op een foto voor een uitvergroting

▲▲▲▲

Welkom Veteranen op alfabetische volgorde Afghanistan Bosnië Indonesië Korea Kroatië Libanon Macedonië Nieuw-Guinea Oekraïne
FRANS RONDEL (1947)

‘Kan ik in oorlogstijd de taken uitvoeren waarvoor ik in vredestijd ben opgeleid ?’, was de vraag die majoor Frans Rondel bezig hield. In 1992 kreeg hij de kans hierop een antwoord te vinden. Nederland stelt een verbindingsbataljon voor de Verenigde Naties UNPROFOR beschikbaar in een poging het escalerende geweld in Kroatië te beteugelen. Frans Rondel zag het en meldde zich aan als vrijwilliger. Zijn taak in het bataljon werd het organiseren van de logistiek ten behoeve van de verschillende eenheden. Geen eenvoudige opgave. Rondel was de tweede S4 officier die met deze taak werd belast. De eerste was vooral bezig geweest met verhuizingen. Het Rainbow hotel in Sarajevo, waar de staf in eerste instantie zetelde, werd het object van intensieve beschietingen waardoor een verhuizing noodzakelijk was. De nieuwe werkplek werd Belgrado, maar om politieke redenen moest ook Belgrado worden verlaten en verhuisde de staf naar Zagreb.

Toen ik aankwam, lag de zaak dan ook helemaal op z’n gat’ zegt Rondel. ‘Het was een internationaal Gezelschap. Er waren eenheden uit tientallen verschillende landen en ieder had zo zijn wensen en gewoontes. ‘Het was niet gemakkelijk onder die omstandigheden in Joegoslavië te werken’ zegt Rondel, nu alweer 15 jaar later. ‘Het werken met opdrachtgevers die ver weg in Den Haag en New York zitten, is bureaucratisch en kost veel tijd’. Rondel had veel ervaring opgedaan in de logistiek voor het Amerikaanse leger ten tijde van de Golfoorlog en kon ook goed met de Fransen door één deur. Die verzorgden in Joegoslavië een belangrijk deel van logistiek. ‘Het gaat er dan om wie je kent en hoe je contacten zijn’, zegt Frans, ‘formele regels en procedures zijn minder belangrijk. Elke eenheid heeft z’n materialen nodig; brandstof, munitie, voeding. Hoe dat er komt is niet zo belangrijk, als het er maar komt.’

‘Een groot knelpunt werd gevormd door de bevolking. Moslims, Serviërs en Kroaten maakten niet alleen elkaar het leven zuur, maar ze keerden zich vooral ook tegen de VN-militairen. Er werd gepest en getreiterd en als je daar bent om te helpen is dat heel vervelend. Niet iedereen kon daar even goed tegen, maar je moet er maar mee leren leven en vooral zorgen dat je geen incidenten uitlokt. De eenheden van ons bataljon lagen over 32 locaties verspreid en de veiligheid was ver te zoeken. Onze chauffeurs hadden altijd een slaapzak bij zich en voor een aantal dagen eten en drinken. De directe confrontatie met menselijk leed is heel anders dan wanneer je het op televisie ziet en het maakt je machteloos. Oude mensen die zonder iets te bezitten voor hun verbrande huis zitten, terwijl je niks mag of kunt doen. Het maakt je machteloos en je voelt je er ellendig door.’ Het heeft overigens vier maanden geduurd voordat ik zelf de sectoren eens in kon. Alles moest vanaf de grond worden opgebouwd en er was enorm veel werk.

                   

Wij verzorgden de staf van UNPROFOR, het sectorhoofdkwartier en de infanteriebataljons op de buitenposten. ‘Die onderdelen beschikten zelf overigens over een kleine logistieke eenheid. Door onze inzet konden andere onderdelen hun taken goed uitvoeren Ons materieel was niet geweldig. We reden in Volkswagenbusjes en werden geregeld aangehouden bij road-blocks. Tegenstanders legden dan een mijnenplank voor– en achter de auto en je kon geen kant meer op. Zo werd je onder druk gezet en gechanteerd. De eerste ploegen hebben het moeilijkst gehad in Joegoslavië, alles was nieuw en de sfeer was explosief. Je moest er goed voor uitkijken de neutraliteit te bewaken en je niet in een kamp van de een of ander te laten slepen. Overal dreigde gevaar, er lagen mijnen en in de steden kon je gemakkelijk geconfronteerd worden met scherpschutters. Toch hebben we er met elkaar een goede tijd gehad,’ zegt Rondel. ‘Je kweekt saamhorigheid en kameraadschap en weet dat je van elkaar op aan kunt. We werkten er met de vier C’s; connecties, corruptie, chantage en charme’. ‘Dingen die ik in Nederland belangrijk vond, waren dat in Joegoslavië minder en andersom. Bureaucratie en regels, in Nederland voor een officier niet onbelangrijk, hadden niet zoveel te betekenen, maar contact met het thuisfront des te meer. Iedereen keek uit naar de post, een teken van leven van het thuisfront is van elementair belang.

Ik ben door mijn uitzending veranderd’, zegt Frans. ‘Kortaangebonden geworden, minder geduld. Soms moet ik een stapje terug doen. Verder heb ik niet zoveel moeite gehad me aan te passen. Maar toen wij terug kwamen, werden we goed opgevangen. Er werden re-integratiegesprekken gehouden met teams, bestaande uit verschillende disciplines. Daar zaten o.a. een psycholoog en maatschappelijk werker in. Maar het gaat er vooral om dat je ervaringen van je af kunt praten en die zo kunt verwerken. Bij de een gaat dat sneller dan bij de ander’.

                   

Rondel keerde in 1993 terug en ging in 2002 met FLO. Maar hij heeft defensie nog lang niet achter zich gelaten. ‘Ik ben helemaal in de veteranenwereld gerold,’ zegt Frans Rondel, ‘voor de groep veteranen gaat het vooral om erkenning. In eerste instantie wilden we de belangen van de veteranen behartigen en al snel kwam daar de organisatie van Veteranendag bij. Inmiddels is er de Regionale Stichting Veteranendag Noord West Veluwe en komen er nieuwe en jongere veteranen bij. De situaties veranderen maar de problemen waarmee jonge veteranen geconfronteerd worden zijn hetzelfde. Het gaat erom dat ze erkenning krijgen voor het werk dat ze in moeilijke omstandigheden hebben gedaan, ’zegt Frans, ‘dat besef is nog lang niet overal doorgedrongen. Er is nog veel werk te doen.’