Veteranen verhalen
uit de NW-Veluwe
Welkom Veteranen op alfabetische volgorde Afghanistan Bosnië Indonesië Korea Kroatië Libanon Macedonië Nieuw-Guinea Oekraïne

Klik op een foto voor een uitvergroting

▲▲▲▲

Welkom Veteranen op alfabetische volgorde Afghanistan Bosnië Indonesië Korea Kroatië Libanon Macedonië Nieuw-Guinea Oekraïne
GEERT VEEN (1945) NEGEN MAANDEN OP UITZENDING

Geert Veen is op 20 juni 1945 in Westerbork geboren. Van 1972 tot 1975 heeft hij in Ermelo gewoond, waar hij zich in 1983 definitief met zijn vrouw heeft gevestigd. Hij begon met een opleiding aan de Rijkspolitieschool en werkte vervolgens drie jaar in Coevorden en Den Haag. Hij reed mee in de surveillanceteams met de bekende ‘witte Porsche’, maar moest in 1966 zijn militaire dienstplicht vervullen bij het 1e Depot Infanterie te Vught. Na zijn onderofficiersopleiding bij de SROKI ging hij naar de SMLO (School Militaire Lichamelijk Opvoeding) voor de opleiding tot sportinstructeur in Hooghalen. Leen Pfrommer zag wel iets in hem en zo werd hij opgenomen in de Militaire Vijfkampploeg. Eind 1966 vertrok hij als sergeant sportinstructeur naar Seedorf in Duitsland.in 1968 trouwde hij en verhuisde hij met zijn vrouw naar Zeven. In 1969 werd daar een zoon geboren. In 1970 volgde hij de onderofficiersopleiding aan de KMS (Koninklijke Militaire School) in Weert. In 1971 kwam hij bij het OCI (Opleidingscentrum Infanterie) in Kranenburg-Zuid in Harderwijk en verhuisde hij met zijn gezin naar deze plaats.
 
44 Painfbat in Libanon
Voor Geert Veen is het alweer 37 jaar geleden. Op 10 maart 1979 werd hij als pelotonssergeant van het Mortierpeloton, dat deel uitmaakte van het 800 man sterke Nederlandse UNIFIL detachement, uitgezonden. Van deze United Nations Interim Force in Libanon, maakten ook Fransen, Zweden, Ieren, Noren, Ghanezen, Nigerianen, Senegalezen en Fiji ’s deel uit. Het Nederlandse bataljons vak is het grootste in het UNIFIL gebied en loopt vanaf de kust geleidelijk op tot ongeveer 800 meter hoog en beslaat ongeveer 20 bij 6 kilometer. “In het toegewezen gebied aangekomen nam ik de Franse post over, waar we gedurende 9 maanden 24 uur per dag en zeven dagen in de week alert moesten blijven. Onze taak was constant scherp te zijn bij de doorlaatposten, waken op waarnemingsposten in het terrein en tijdens patrouilles te voet of per voertuig. Het bleek later een zware post te zijn geweest, het lag aan de doorgaande weg naar het oosten en naar het zuiden. Dit was de enige weg die door Unifil gebied liep.
Met mijn mensen stonden we de omliggende eenheden met onze mortieren bij, wanneer zij vuursteun nodig hadden. Al die tijd hield ik een logboek met de dagelijkse gebeurtenissen en incidenten bij.

Patrouille IJzeren Driehoek
Met name in de ‘IJzeren Driehoek’, het gebied tussen de dorpen Shaqif al Ahmar, Maghärat al Aläi Dhar al Aläli, had de PLO zich aardig versterkt met zware wapens. In dit gebied ging ik volgens de afspraken twee keer per week met twee jeeps op patrouille. In september 1979 kreeg ik van de compagniescommandant de opdracht om een patrouille richting de Driehoek te rijden. Op mijn vraag of hij de nodige maatregelen had genomen, antwoordde hij bevestigend. Met mijn vaste ploeg reden we eerst naar post 7.9.
Daar werd alles nog eens doorgenomen en vervolgens vertrokken we om 15.00 uur met acht man verdeeld over twee jeeps. Ik reed de auto zelf via het Fiji roadblock, naar het roadblock van PFLP (afgescheiden van de PLO, Partij Fort Liberation Palestina). Opeens zag ik een lichtflits uit de richting van de heuveltop rechts. Ik waarschuwde de jongens om uit de jeep te springen. Vervolgens hoorde ik een gefluit en zag een granaat in het reservewiel terechtkomen. Vervolgens zagen we tientallen mensen van beide kanten op ons af komen. Ik gaf de opdracht om te gaan staan met de armen in de lucht gestoken. Een voertuig van PFLP stopte bij ons en we moesten met hen mee naar een dorpje. Daar werd ik een huisje binnengetrokken.
Een vrouw achter haar bureau stelde me vragen waarop ik haar mijn ID kaart toonde. Daarna werd ik in een hoek geduwd en geblinddoekt. Ik dacht dat mijn laatste uur had geslagen. Uit het geroezemoes begreep ik dat zij niet op de hoogte van onze patrouille waren gebracht. Ook meenden ze ons van een eerdere actie te herkennen waarbij aan hun kant doden waren gevallen. Ik werd naar buiten gesleept en geslagen. Om me heen werd geschoten en toen kwam het gevoel dat het me allemaal niets meer kon schelen. Nog steeds geblinddoekt, werd ik weer naar binnen gesleept en mijn schoenen werden uitgetrokken. Eindelijk kwam er een vent die me herkende en na een tijd moest ik weer naar buiten. Daar zag ik mijn mannen aan komen lopen. Gelukkig hadden ze hen niets gedaan en hadden in elk geval hun schoenen nog. Eindelijk mochten we naar ons gebied terug lopen. Na een tijd begonnen mijn voeten te bloeden maar de gedachte dat we de vrijheid tegemoet liepen gaf me kracht. Bij de post werden we door onze mensen opgevangen en verzorgd. De majoor die de patrouille had moeten melden, vond het allemaal maar onzin, want ‘afspraken maken in oorlogstijd, doe je ook niet.’ Op dit voorval is later nooit meer teruggekomen. De jongens waren, in tegenstelling tot mij, wel goed behandeld.

Positieve momenten in Libanon
Een mooi moment was toen kinderen onze hulp inriepen nadat een van hun koeien in een waterput was beland. Ze kregen het dier er niet uit en voor die mensen was een koe van onschatbare waarde.
Wij besloten hen te helpen en met een soort harnas en een sleepkabel werd het dier uit de put getrokken. Twee dagen later werden we door de bewoners verrast met een uitnodiging om bij hen te komen eten. De tijd is omgevlogen, maar er zijn momenten die in je geheugen staan gegrift, zoals het leven van een aantal kinderen op de vuilstort bij Tibnin, de locatie van het Ierse hoofdkwartier. Hier was een vuilnisbelt waar de Ieren en wij ons afval naartoe brachten. Elke week gingen we er met een drietonner naar toe om het vuil van de posten 7.7- 7.8- 7.9- en 7.12 weg te brengen. De eerste keren losten wij ons vuil zelf, maar na een paar maanden was dat niet meer nodig. Weeskinderen, die in kartonnen dozen en onder planken op de berg afval leefden, waren erg gelukkig met de resten die wij weggooiden. Dat greep ons aan, wij hadden alles vergeleken met deze armoedzaaiers. Geen mens leek naar hen om te kijken, zij ‘leefden van ons afval’. Dutchbat, zo noemde men onze eenheid, kwam met het voorstel om deze kinderen te helpen.

Na veel gepraat met de plaatselijke dorpsleiders in de omgeving werd overeengekomen dat ze met onze steun een weeshuis wilden toestaan in de omgeving van Tibnin. Maar het probleem was, zoals gebruikelijk, dat hier geen geld voor was, toestemming vanuit de centrale overheid ontbrak, en zeker niet werd omarmd door de gevreesde majoor Haddad. Het hoofdkwartier van UNIFIL werd ingeschakeld en ook daar was men er van overtuigd dat er iets moest gebeuren, maar geld, goederen en mankracht waren er niet. Wat te doen? In een gebied waar niets is, waar alles corrupt is en alles heel lang duurt voor dat er knopen werden doorgehakt. De commandanten binnen ons bataljon namen het voortouw en er werd een actie opgezet waarbij van eenieder een bijdrage werd gevraagd van tien dollar per persoon. Dit bedrag werd vervolgens in een fonds gestort en later werd gebruikt voor de aanbesteding van de bouw van een weeshuis bij Tibnin. Nadat het gebouw gereed was, werd het in het beheer van een Libanese organisatie overgedaan. Zo konden we na een paar maanden een weeshuis compleet ingericht met een keuken, douches, toiletten, eetzaal en bedden, aanschouwen. De opening was een feit en de kinderen waren verdwenen van de vuilnisbelt. Het weeshuis wordt nu nog steeds gesteund door giften vanuit Nederland.

Het bestaat dus nog steeds en dat is dan weer zo’n mooi voorbeeld hoe e.e.a. met inzet en improvisatie geregeld kan worden. Dit geeft de Unifiller een groot gevoel van trots. Eind november 1979 zat de tijd er definitief voor me op. Uiteindelijk was ik er langer gebleven, dat had ik achteraf gezien, nooit moeten doen.”