Veteranen verhalen
uit de NW-Veluwe
Welkom Veteranen op alfabetische volgorde Afghanistan Bosnië Indonesië Korea Kroatië Libanon Macedonië Nieuw-Guinea Oekraïne

Klik op een foto voor een uitvergroting

▲▲▲▲

Welkom Veteranen op alfabetische volgorde Afghanistan Bosnië Indonesië Korea Kroatië Libanon Macedonië Nieuw-Guinea Oekraïne
HARALD FREDRIKS (1971)

Uitzending Bosnië (Voormalig Joegoslavië) december 1995 – juni 1996

Lichting Lima 12
Na mij studie Frans in Utrecht koos ik er voor om mijn diensttijd in Bosnië te vervullen bij UNPROFOR. Als soldaat bij één van de laatste lichtingen dienstplichtigen ging ik in juni 1995 naar het opleidingscentrum Ossendrecht om daarna 4-tonner chauffeur in Busovaça te worden. Na verloop van tijd kreeg ik van mijn Compagniescommandant te horen dat er een functie vrijkwam als tolk/vertaler Frans in Sarajevo en of ik daar interesse in had. Ik antwoordde onmiddellijk bevestigend, maar een maand later bleek helaas dat deze functie vergeven was. Inmiddels was ik ingedeeld bij de Klasse III (brandstof) en had men mij de functie van chauffeur BDM (Brandstof Distributie Middel) toegedicht. Hoewel mij voorkeur aanvankelijk uitging naar een humanitaire job, zoals het vervoer van hulpgoederen, legde me ik vrij snel neer bij deze nieuwe benoeming. Het was toch geen onbelangrijk werk, want zonder brandstof, geen missie.

Stank van diesel
Na verschillende opleidingen stapte ik op 4 december 1995 op vliegveld Eindhoven in de Hercules C130, bestemming Split.
Na een goede nachtrust in een nogal louche hotel stapte ik de volgende ochtend samen met Sinterklaas en een groep Legionairs in de 4-tonner met bestemming Busovaça, centraal Bosnië.
Na een lange rit onder slechte weersomstandigheden, beschietingen en mijnincidenten, arriveerden we in de compound ‘Santici’ in de nabijheid van Busovaça. In Santici werd ik ingedeeld bij de ‘Whiskeys’, een zestal dienstplichtige soldaten onder leiding van een beroepssergeant, verantwoordelijk voor de BRAVIN (Brandstofvoorzieningsinstallatie) en voor de interne en externe brandstofvoorziening. Een smerige klus, omdat er geen beschermende kleding was. We werkten onder een continue stank van diesel en zaten van top tot teen onder de brandvlekken en huiduitslag. Daarbij werden we natuurlijk met de nek aangekeken in de mess, niemand wilde graag naast een stinkende Whiskey zitten. We groeiden in onze functie en wilden liefst zo vaak mogelijk op pad om brandstof naar de diverse VN-eenheden te brengen of naar de Kroatische kust om brandstof te halen.
Het waren soms helse ritten en zeker niet ongevaarlijk, maar vooral ook mooi. Het buddysysteem verbroederde en we hielden elkaar op de been als iemand een minder moment had.

Gebeurtenissen en Valentijnsdag
Ook op de compound zelf was het niet altijd ongevaarlijk, want op een dag overstroomde de naast ons kamp gelegen ‘Lasva’ rivier door het vele smeltwater uit de bergen. Hierdoor spoelden er talrijke landmijnen tussen de brandstofzakken met in totaal 500 kub aan diesel, kerosine en benzine.
Het bevel om een mogelijk ‘brandje’ te blussen met de mobiele P250 brandblusser (keurdatum 1969!) negeerde ik en adviseerde de staf om de EOD op te roepen.

Soms was er ook tijd voor ontspanning op de compound. Nadeel was dat er altijd iemand van ons een portofoon bij zich had, zodat de rust vaak van korte duur was. Zo werd ik door de dienstdoende sergeant gebeld, die vroeg of ik me wilde melden.
Volgens de portofoonprocedures meldde ik mij met locatie ‘Bravo Bravo Tango Victor Zulu’. De sergeant vroeg drie keer om de locatie te herhalen en daarna ging het licht bij hem uit en schreeuwde hij wat nu mijn locatie in klare taal was. Ik antwoordde dat ik mij in de ‘Bevo Bar TV Zaal’ bevond… Hierop mocht ik op rapport bij de CC om de boete van 100 Duitse Mark te betalen. Enkele incidentjes later werd de boete opeens verhoogd. Ik besloot, om in navolging van mijn maatjes, ook maar eens een sikje op mijn kin te laten staan. De ‘Klasse III sik’ was al jaren een traditie en die moet je nu eenmaal in stand houden. Op appel werd mij te kennen gegeven om me toch heel rap te gaan scheren. Hierbij werd de motivatie opgegeven dat ik de eenheid in gevaar bracht doordat ik niet meer leek op de persoon van de foto op mijn Identiteitskaart. Ik vroeg de CC om een potlood en tekende een sik in op mijn pasfoto.

In die periode verruilden we al snel de blauwe VN baret om voor de bruine baret omdat we na het Dayton akkoord (14 december 1995) onder het NAVO commando werden geplaatst. Resultaat was dat alle geplande verloven ingetrokken werden en de dienstplichtigen de keuze hadden om te blijven of naar huis te gaan. De meesten bleven en het werd ook weer mogelijk op verlof te gaan. Een kortstondige vreugde in mijn prefab was de postbezorging rond Valentijnsdag. Enkele weken daarvoor was ik met verlof in Nederland en besloot de maten te verblijden met een liefdeskaartje, geschreven door een vriendin die nogal suggestieve teksten gebruikte. Iedere maat een eigen kaartje met een persoonlijke liefdestekst!
Terug in de compound kon ik niet wachten op de postbezorging, eindelijk! Mijn maten zaten met hun kaartjes in hun handen en hadden geen idee wie die sterk geurende kaartjes met hartjes en in een roze enveloppe had gestuurd. Zij konden hun geluk niet op, de parfum die ik er bij verzending opgespoten had, verdreef de dieselgeur. Toch werd mijn grap op een gegeven moment doorzien en voor ik het in de gaten had sprongen er vijf man op me en kreeg ik een forse aframmeling. Het was het waard, al was het maar omdat deze momenten van geluk bij een ieder in het geheugen blijven.

Nu twintig jaar later kijk ik terug op een mooie tijd.
Een tijd van verbroedering en kameraadschap waarin dienstplichtigen en beroepsmilitairen tezamen een missie uitvoerden. Een tijd ook waarin je besefte waarvoor je leefde en het er toe deed.
Het hield je dan ook scherp en soms met gevaarlijke momenten, vaak ook met angstige momenten en altijd met de ‘wierook’ van diesel om je heen.

Op 26 juni 1996 landden we op Schiphol. Eén van de eerste dingen die ik deed was naar het tankstation rijden. Daar aangekomen stond ik als een junk aan het vulpistool van de dieselpomp te ruiken.

Tot op de dag van vandaag betrap ik me erop nog steeds wat langer bij de pomp te staan dan nodig en net wat zwaarder dan gebruikelijk te ademen om de dieseldampen te inhaleren, die een sterke herinnering aan een vervlogen periode naar boven brachten. Zo sterk dat er gevoelens van heimwee ontstonden, waardoor ik nu, terugkijkend op 20 jaar geleden, enkel kan zeggen: het was een mooie tijd!